


Deze foto is omstreeks 1918 gemaakt op het vlasbedrijf van Dirk van Soest in de
Rijkestraat te 's-Gravendeel. Het bedrijf had de naam 'De Rooie Poort'. Na de
Tweede Wereldoorlog woonde daar de familie Vogelaar. Uiterst rechts vooraan staat Pieter Verdonk
(1879-1968). Op de voorste rij, tweede van links staat Teunis Verdonk, geboren
30-11-1883. Achter deze rij ligt op de grond in het midden Leendert Verdonk, geboren
7-6-1903.
Werktijden,
verdiensten en prijzen in 1915
Er werd gewerkt van vijf uur 's ochtends tot vijf uur 's avonds. Jongeren
mochten om zes uur beginnen. In de zomer werkte men 's avonds tot half zeven voor een
weekloon van zes tot zeven gulden. Jongeren ontvingen een rijksdaalder per week. De pauzes
tussen de werktijden werden 'schoften' genoemd.
De huishuur bedroeg 1,-- of
1,25 per week. Voor een brood van vier pond moest 24 cent worden betaald.
Aardappelen kostten 1,50 per mud. Een pond spek kocht men voor 25 cent en een
pond vlees voor 55 cent. De prijs voor een halve liter melk, veelal aangeduid als een
'pintje', bedroeg 4 cent. Rond acht uur 's avonds was de 'brijklok': grutten.
Sociale voorzieningen waren er
niet. Indien wegens regen of ziekte niet gewerkt kon worden, ontving men 'niks'. Op
zaterdagmiddag kon men bij de armenmeester een gulden of hooguit twee gulden gaan halen.
De tering werd naar de nering gezet. Men at 'aerpels mit zoutnat' en men kreeg 'schuifkaes
op het brôôd'. |
 |

Nauw verbonden met de geschiedenis van 's-Gravendeel is de
vlasserij. De vlasserij heeft zich altijd gekenmerkt door een groot aantal verschillende
bewerkingen. De stengels van het vlas zijn hol en houtachtig, eromheen zit de vezel
gekleefd. Na een speciale behandeling, het roten, kunnen vezels en houtbast worden
gescheiden door braken en zwingelen. Het zo verkregen schone lint is dan
geschikt om als halffabrikaat te worden afgeleverd aan de textielfabrieken. Daar wordt het
door hekelen, spinnen, weven en bleken tot linnen verwerkt.
Vlaslinnen werd vanouds toegepast om het menselijk lichaam
te bedekken en te beschermen tegen weersinvloeden. Maar behalve voor kleding, werd het ook
gebruikt voor tentzeil voor schepen, scheepstuigages, visnetten, schildersdoek en
huishoudelijk linnengoed. Afgezien van de grondstof voor linnenfabricage verschafte de
vlasserij een aantal belangrijke bijproducten zoals lijnolie voor verf, vernis, zeep, en
lijnkoeken voor veevoeder, terwijl de afvalscheven altijd als brandstof zijn gebruikt door
broodbakkers en later ook als grondstof voor isolatiemateriaal en bouwplaten.
Aanvankelijk werd de vlasserij overwegend in de kleistreken
uitgeoefend, waar het vlas ook werd geteeld. In de 18e eeuw veranderde dit langzamerhand.
Landbouwers stootten de vlasbewerking af en allengs ontstonden er zelfstandige vlasserijen
die het te bewerken vlas zowel uit de directe omgeving als uit veraf gelegen
productiegebieden betrokken.
Reeds in de 17e eeuw kwam in 's-Gravendeel de vlasserij tot
ontwikkeling, weliswaar ook hier als onderdeel van het landbouwbedrijf, maar vroegtijdig
al waren de eerste tekenen van een gespecialiseerde nijverheid waar te nemen. Overigens
kwam tot in het begin van de 20ste eeuw de vlasbewerking overal in de Hoeksche Waard voor,
later alleen nog in Maasdam, Strijen, Puttershoek, Westmaas en 's-Gravendeel.
begin |